Historie  
Historie
Kerk
In 1450 werd besloten tot de bouw van de Grote- of Eusebiuskerk. Wegens geldgebrek duurde de bouw meer dan een eeuw. De kerk is, een geheel in steen overwelfde drie-beukige kruisbasiliek, opgebouwd naar het voorbeeld van de domkerk van het Duitse stadje Xanten. De kerk heeft een Nederrijnse laatgotische stijl. Kenmerkend zijn de sterk geprofileerde pijlers, de ingewikkelde gewelfbouw "netgewelven” en "stergewelven", alsmede de raamtraceringen, het zgn. visblaasmotief.


Het hart van de stad werd in 1944/1945 slachtoffer van branden en vernieling. Tijdens de naoorlogse restauratie werd de kerk in de oorspronkelijke stijl herbouwd en hersteld. Met uitzondering van het bovenstuk van de toren die is in een nieuwe andere vorm hersteld. Op 21 oktober 1961 werd de kerk in gebruik genomen, in aanwezigheid van Koningin Juliana en vele andere autoriteiten.

Enige middeleeuwse- en renaissance monumenten zijn gespaard gebleven tijdens de tweede wereldoorlog.
De belangrijkste zijn:
  • het praalgraf van de hertog van Gelre, 1539-1540
  • drie epitafen (grafmonumenten) 1546, 1632 en 1696
  • vier Gilde tafelbladen, 17de en 18de eeuw
  • talrijke kraagstenen en kapitelen.
  • fresco (wandschildering uit 1550, herkenbaar aan de vrouwen die bij het kruis staan)
  • vier wapenschildjes

Grafkelder
Er is in Arnhem geen plek te vinden, waar de archeologie zo goed is te beleven als in de Eusebiuskerk.
In 1959-1960 legde men bij graafwerkzaamheden binnen en buiten de koorpartij, de muurresten bloot van de Sint Maartenskerk.


De vondst van de oudste parochiekerk van Arnhem, half verscholen onder het huidige koor en de zuidelijke kooromgang, was een grote verassing. De resultaten vond men zo belangrijk dat besloten werd om ze voor het publiek toegankelijk te maken.

Voor een rondwandeling door de kerk is er een losse beschrijving die u hier kunt downloaden.

 

 

Het Strümphlerorgel in de Grote- of Sint Eusebiuskerk is meer dan 200 jaar oud. Het naamplaatje boven de speeltafel vermeldt als bouwjaar 1795, een brochure over de geschiedenis van het instrument noemt als datum van ingebruikname 1 juni 1796.
 
De orgelbouwer is geboren in Lippstadt (D) in 1739. Hij had zich al vroeg in Amsterdam gevestigd en had al meerdere kleien en middelgrote instrumenten op zijn naam staan toen hij zijn grootste opdracht kreeg: een orgel voor het nieuwe gebouw van de Hersteld Evangelisch Lutherse Kerk aan de Kloveniersburgwal te Amsterdam.
 Was deze kerkgemeenschap zo rijk? Dat niet zozeer, maar men had wel een sponsor; ook toen al. Het is nog te lezen op het schild dat als ornament in de orgelkas is opgenomen: “Van ’t geen Jan Bouwman gaf/ tot opbouw dezer kerk / staat ook, tot eer van God / dit sierlijk orgelwerk”. Dat de vorm van het gewelf van de “Kloof” bepalend was voor de vorm van de orgelkas is nog te zien. Bovenop de orgelkas, precies in het midden, ziet men vaak een beeltenis van koning David met zijn harp; vorstelijk staande. Er was echter voor een staande David onvoldoende hoogte , nu zit hij er wat ineengedrongen bij.
 
Grote bekendheid kreeg het instrument toen de in 1898 benoemde 20-jarige Jan Zwart vanaf 1929 wekelijks orgelbespelingen gaf voor het toen nog nieuwe medium: de radio. Elke maandagmiddag anderhalf uur! Voor de vertolking van orgelwerken uit de Romantiek had Jan Zwart een Zwelwerk van 8 stemmen laten plaatsen. Als musicus met gevoel voor historie werd er niet in de bestaande constructie en dispositie ingegrepen; dit siert hem postuum nog,
Want dat ging in de regel niet zo.
 
Het kerkgebouw in Amsterdam kwam buiten gebruik en de “Kloof”werd bank-archief en het orgel werd verkocht naar Arnhem waar door de oorlogshandelingen het Wagner-orgel geheel vernietigd was. Over die verkoop is heel wat te doen geweest; over het verlies voor Amsterdam, over de restauratiefirma, over de capaciteit voor de veel grotere Eusebius, over het Zwelwerk dat niet meegekocht werd, kortom: het gebruikelijke wel en wee van cultuurgoed. Het orgel kwam in een geheel gerestaureerde kerk, een gebouw dat praktisch vanaf de grond opnieuw opgebouwd was. Dat riep om gebruiksproblemen, en die kwamen er ook. De nagalmtijd in de lege kerk was enorm: 10 seconden op het gehoor en bij nauwkeurig nameten nog meer. Voor het orgel betekende dat: grote onduidelijkheid voor de lage tonen, en onbalans tussen hoog en laag. Na een 2de restauratie is er op veel hout en op goede plekken absorptie-materiaal ingebracht, zodat het instrument nu optimaal klinkt.
Hoewel men anders zou vermoeden, heeft het in de Nederlanden lang geduurd voordat het algemeen geaccepteerd werd, dat bij gemeentezang het orgel mocht worden gebruikt. Ook waren orgels al behoorlijk ontwikkeld voor er sprake was van gemeentezang.
De instrumenten waren vooral eigendom van de burgerlijke gemeente en die overheid bepaalde wanneer er gespeeld werd, vaak door de week en ’s zondags voor en na de dienst.
Pas in de loop van de 17de eeuw werd gemeentezang- begeleiding min of meer vanzelfsprekend. En zo heeft ook dit instrument aanvankelijk uitsluitend gefunctioneerd.
 
In de jaren dat het orgel in gebruik werd genomen, 1959 werden er wekelijks 3 diensten gehouden. Daarnaast ging een concertserie van start die tot op de dag van vandaag doorloopt.
Op woensdagavonden in juli en augustus is dit schitterende instrument te horen.
 

(gegevens voor deze tekst werden ontleend aan een orgel verjaardagsrede van Johan van Dommele, van 1959 tot 1995 vaste bespeler van het instrument